11/10/2017 Analyse van het nieuwe regeerakkoord 2017

Bijna zeven maanden na de verkiezingen is er een regeerakkoord. Met maar liefst vier partijen (VVD, CDA, D66 en ChristenUnie) is een akkoord van 55 pagina’s tekst (plus 13 pagina’s bijlagen) uitgewerkt, met als thema Vertrouwen in de toekomst. In dit artikel beschouwen we de belangrijkste punten inzake oudedagsvoorzieningen, eigen woning en belastingwetgeving.

Door Kees van Oostwaard - Fiscale Zaken VIVAT

Oudedagsvoorzieningen

Pensioen

Het regeerakkoord begint op dit punt ronduit positief: “Nederland heeft een sterk pensioenstelsel” (pag. 2 van het Regeerakkoord). Maar de coalitiepartijen constateren ook dat het stelsel kwetsbaar is. Zo is sprake van spanningen tussen de generaties, worden verwachtingen niet waargemaakt en bovendien sluit het stelsel niet meer aan bij de veranderende arbeidsmarkt.

Het nieuwe kabinet wil aansluiten bij de rapporten van de SER. Tegelijkertijd worden bepaalde contouren geschetst:

  • onderzoek naar de mogelijkheid van een persoonlijk pensioenvermogen met behoud van een collectieve risicodeling;
  • afschaffing van de doorsneesystematiek; • verplichte leeftijdsonafhankelijke premie;
  • het nieuwe kabinet wil kaders opstellen om maatwerk van sociale partners en pensioenuitvoerders tijdens de transitie naar het nieuwe stelsel mogelijk maken;
  • de fiscale kaders worden tijdelijk verruimd om de overstap naar het nieuwe stelsel mogelijk te maken;
  • de sociale partners krijgen een beperkte implementatieperiode;
  • de hoofdlijnen moeten begin 2018 duidelijk zijn en in 2020 moet het wetgevingsproces zijn afgerond (zodat daarna het implementatieproces kan starten);
  • handhaving van de verplichtstelling, collectieve uitvoering, risicodeling en fiscale ondersteuning;
  • een collectieve buffer - te vullen vanuit overrendement - om te beschermen tegen veranderingen in de levensverwachting en schokken op de financiële markten (hiervoor komen wettelijke kaders);
  • keuzevrijheid voor deelnemers;
  • zelfstandigen kunnen vrijwillig aansluiten;
  • een adequate dekking voor nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen (om de arbeidsmobiliteit niet te belemmeren);
  • “het arbeidsvoorwaardelijk opbouwen van pensioen blijft een verantwoordelijkheid van de sociale partners”.
Commentaar

Vóór de presentatie van het regeerakkoord was uitgelekt dat het nieuwe kabinet het pensioendossier voor zich uit zou schuiven. Met dat in het achterhoofd valt op dat het kabinet toch anderhalve pagina heeft uitgetrokken voor de vernieu-wing van het pensioenstelsel. Bovendien bevat het regeerakkoord een aantal duidelijke afspraken, zoals handhaving van de verplichtstelling. Dit is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Ook wil het kabinet af van de doorsneesystematiek. Desalniettemin wordt de verantwoordelijkheid bij werkgevers en werknemers neergelegd.

Gelet op hetgeen vooraf was uitgelekt, is het regeerakkoord concreter dan verwacht. Tegelijkertijd lijkt alles erop gericht om werkgevers en werknemers een duwtje in een specifieke richting te geven om verder te komen in dit dossier. Duidelijkheid op hoofdlijnen begin 2018 klinkt ambitieus.

Sommige zaken maken ook nieuwsgierig. Het punt van de adequate dekking voor nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen klinkt bijna alsof deze zaken verplicht onderdeel zouden moeten uitmaken van een pensioenregeling. Maar dat staat haaks op een ander genoemd punt: keuzevrijheid voor deelnemers.

Vraag is hoe het kabinet dit voor zich ziet. Voor nabestaandenpensioen is er bijvoorbeeld al een (fiscale) goedkeuring om bij verzekering op risicobasis eventueel ook de diensttijd bij een vorige werkgever te laten meetellen. Voor het arbeidsongeschiktheidspensioen is zeker nog een verbetering mogelijk. Zo speelt bijvoorbeeld het probleem dat de Belastingdienst het einde van een contract voor bepaalde tijd - in het kader van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid - niet ziet als onvrijwillig ontslag. Nog afgezien van het feit dat naar mijn mening hiervoor de wettelijke basis ontbreekt, is deze stellingname maatschappelijk ongewenst. Veel mensen kiezen noodgedwongen voor een contract voor bepaalde tijd (dat is geen keuze uit luxe). Daar is niets vrijwilligs aan te onderkennen. Maar volgens de Belastingdienst mogen deze arbeidsongeschikte deelnemers geen profijt hebben van bijvoorbeeld premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Sterker nog, deze deelnemers hebben niets aan de verzekering van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Het is dus goed als hier aandacht voor komt.

Uit de bijlage blijkt dat verwacht wordt dat de pensioenpremies als gevolg van de stelselwijziging tijdelijk met € 1 miljard zullen stijgen [Pag. 66, onderdeel M135]. De lijfrente krijgt geen aandacht in het regeerakkoord. Dat is wellicht ook te gedetailleerd. Wel is te hopen dat bij de uitwerking van een nieuw pensioenstelsel hiervoor aandacht is, zodat er zo min mogelijk (fiscale) verschillen tussen pensioen en lijfrente blijven bestaan.

Woningmarkt (inclusief eigen woning)

Algemeen

Het nieuwe kabinet geeft prioriteit aan ‘middenhuurwoningen in de vrije sector’. Doel is om meer nieuwe koop- en huurwoningen te bouwen en voldoende koop- en huuraanbod voor specifieke groepen te realiseren [genoemd worden doelgroepen als ouderen, alleenstaanden, statushouders, starters, gehandicapten en studenten (pag. 31)]. Daarbij moet het woningaanbod meebewegen met de veranderende eisen en wensen. Verder moeten flinke stappen worden gezet voor de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad.

Eigen woning

Ongewijzigd blijft dat de maximale hypotheek stapsgewijs wordt afgebouwd tot maximaal de waarde van de woning [de zogenoemde maximale ‘loan to value’]. Maar zoals al was uitgelekt wordt het percentage waartegen de hypotheekrente in de inkomstenbelasting kan worden afgetrokken, versneld verlaagd. Dit gebeurt in stappen van 3% per jaar, totdat het zogenoemde basistarief is bereikt [dit basistarief bedraagt 36,93% (pag. 35)]. Uit de bijlage blijkt dat de versnelde verlaging start in 2020 en dat deze in 2023 volledig gerealiseerd is. De opbrengst van de versnelde afbouw wordt (volledig) gebruikt voor verlaging van het eigenwoningforfait.

Het eigenwoningforfait wordt met 0,15% verlaagd.

De zogenoemde Wet Hillen [door deze wet bedraagt kortgezegd het eigenwoningforfait nooit meer dan de in aftrek te brengen hypotheekrente] wordt in twintig jaar uitgefaseerd [naar verluidt is dit buiten de tekst van het akkoord bijgesteld naar dertig jaar]. Volgens de bijlage start de uitfasering al in 2019.

Deze stimulans van het financieren van de eigen woning met eigen middelen, wordt door de in 2014 ingevoerde aflossingsverplichting onhoudbaar geacht [strikt genomen is er geen sprake van een (annuïtaire) aflossingsverplichting, maar is zo’n aflossingsschema wel noodzakelijk voor fiscale aftrekbaarheid.].

Verder denkt de coalitie dat het eenvoudiger wordt om in de opbouwfase vermogensopbouw in de eigen woning te integreren in de vermogensopbouw in het pensioen. Dit zou volgen uit de hervorming van het pensioenstelsel, die leidt tot duidelijkere eigendomsrechten ten aanzien van het pensioenvermogen. Daarvoor moet eerst de hervoring van het pensioenstelsel worden afgerond.

Tot slot zal worden uitgewerkt welke vormen van zogenoemde gebouwgebonden financiering gebruikt kan worden om energiebesparende investeringen aantrekkelijk gemaakt kunnen worden voor particuliere woningeigenaren. Daarbij is het de bedoeling om aflossing en rente te betalen uit de besparing op energiekosten.

Commentaar

Opvallend dat in dit brisante dossier coalitiepartners VVD en CDA akkoord gaan met de in het regeerakkoord opgenomen maatregelen voor de eigen woning. De timing lijkt wel goed te zijn. Met de huidige lage rentestand wordt de ‘pijn’ minder gevoeld, althans als de belastingplichtigen al profiteren van die lagere rentestand. Er zullen ongetwijfeld nog belastingplichtigen zijn die een hoger percentage betalen (door een nog lopende langere rentevastperiode).

Overigens wordt in de media snel gesproken over afschaffing van de hypotheekrenteaftrek. Daarvan is geen sprake. De hypotheekrente blijft aftrekbaar, alleen tegen een maximaal tarief van 36,93%. Dit basistarief zal ongetwijfeld in de loop van de tijd ook weer wijziging ondergaan. De maatregel is wel een duidelijk voorbeeld van nivellering.

De verlaging van het eigenwoningforfait betekent voor de grootste groep eigen woningen - met een WOZ-waarde tussen € 75.000 en € 1.060.000 - een verlaging van 0,75% naar 0,6% van de WOZ-waarde.

Hoewel vanuit macro-economisch oogpunt begrijpelijk, is de afschaffing van de Wet Hillen voor de belastingplichtigen die enthousiast hun eigenwoningschuld hebben afgelost nu een tegenvaller. Is in die gevallen de eigen woning nu nog onbelast, straks zal toch in box 1 belasting over het - aangepaste - eigenwoningforfait betaald moeten worden.

Waarom de coalitie begint over de integratie van vermogensopbouw in de eigen woning en pensioen is onduidelijk. Volgens het regeerakkoord moet eerst de hervorming van het pensioenstelsel worden afgerond. Gelet op het daarbij geschetste tijdpad zal dat niet voor 2021 zijn. Dan zit deze kabinetsperiode er hoe dan ook op. De tekst biedt verder ook weinig houvast, dus had dit punt wat mij betreft achterwege kunnen blijven.

Sparen en beleggen

De huidige vrijstelling (heffingvrij vermogen) in box 3 van € 25.000 (2017) [In het regeerakkoord staat het bedrag voor 2018: € 25.225] wordt - volgens de bijlage - per 1 januari 2018 verhoogd naar € 30.000. Verder bevat het regeerakkoord de toezegging dat in de kabinetsperiode een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van het werkelijk rendement worden uitgewerkt.

Commentaar

De verhoging van het heffingvrij vermogen klinkt goed voor belastingplichtigen die het aangaat. Maar niet vergeten mag worden dat het op jaarbasis om enkele tientjes gaat. De toezegging van een heffing op basis van werkelijk rendement zal belasting-plichtigen nog meer (moeten) aanspreken. Wel staat het kabinet hiermee voor een grote uitdaging. Want hoe gaat de Belastingdienst aan de relevante gege-vens komen? Het valt dan ook niet uit te sluiten dat het kabinet zich gedwongen ziet om bepaalde zaken toch forfaitair te bepalen.

Belastingstelsel

Inkomstenbelasting

Er komt geen vlaktaks maar een tweeschijvenstelsel. Dit stelsel kent een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. De tekst van het regeerakkoord wekt de suggestie dat deze wijziging per 1 januari 2021 wordt ingevoerd, maar in de bijlage wordt al gestart per 1 januari 2019. De nieuwe eerste schijf eindigt op ongeveer € 68.600. Dit is het eindpunt van de huidige derde schijf op het niveau van 2018.

Ook komt er verhoging van de algemene heffingskorting en (per saldo) van de arbeidskorting. Samen met een groot aantal kleinere aanpassingen moet dit er voor zorgen dat de lasten voor burgers met ruim zes miljard euro verlaagd worden.

Dit alles moet er ook aan bijdragen dat het lonender wordt voor werkenden met een middeninkomen (meer) te werken.

Net als bij de hypotheekrente wordt het aftrektarief waartegen aftrekposten aftrekbaar zijn voor alle aftrekposten met 3%-punt per jaar verlaagd naar het basistarief.

Commentaar

Een tweeschijvenstelsel klinkt revolutionairder dan het is. Nederland kent momenteel weliswaar vier schijven in de inkomstenbelasting, maar de eerste drie schijven lopen al niet heel ver uit elkaar. In de eerste schijf bedraagt het percentage momenteel 36,55 en de tweede en derde schijf zijn al gelijk: 40,8%. De plannen van het nieuwe kabinet kunnen niet worden beschouwd als een nieuw belastingstelsel. Het stelsel met allerlei toeslagen en aftrekposten lijkt vrijwel geheel in stand te blijven. Van vereenvoudiging is dan ook geen sprake.

BTW

Nederland kent momenteel twee BTW-tarieven, het normale (of hoge) tarief van 21% en het lage tarief van 6% voor specifieke goederen en diensten zoals bijvoorbeeld voedings- en geneesmiddelen. Dit lage BTW-tarief wordt verhoogd van 6% naar 9%. Volgens het budgettair overzicht in de bijlage zal de verhoging per 1 januari 2019 worden ingevoerd.

Commentaar

Het lage tarief van de BTW gaat met maar liefst 50% omhoog. Aangezien het lage BTW-tarief (met name, maar niet uitsluitend) wordt geheven op goederen en diensten die tot de eerste levensbehoeften worden gerekend, zal iedereen in Nederland hiermee te maken krijgen.

Vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelasting kent twee tariefschijven. Over de eerste schijf van € 200.000 wordt momenteel 20% belasting geheven. Daarboven bedraagt het tarief 25%. De tarieven in beide schijven worden met hetzelfde percentage verlaagd. In 2019 is de verlaging 1%-punt en in 2020 en 2021 gaat er elk jaar nog eens 1,5%-punt vanaf. Daardoor zijn de nieuwe tarieven in 2021 16% respectievelijk 21%. De hiervoorgenoemde eerste schijf van € 200.000 zou met ingang van 2018 stapsgewijs worden verhoogd naar € 350.000. Deze verhoging wordt teruggedraaid waardoor de eerste schijf € 200.000 blijft.

De verliesverrekening wordt beperkt. Nu kan een verlies in de vennootschapsbelasting nog verrekend worden met de winst van het voorafgaande jaar (carry back) of de winsten van de negen jaren daarna (carry forward). Deze carry forward wordt beperkt tot een periode van zes jaar.

Ook de afschrijving van gebouwen in eigen gebruik wordt beperkt. Afschrijven is straks mogelijk tot maximaal 100% van de WOZ-waarde. Dit is nu nog 50% van de WOZ-waarde. Het (effectieve) tarief voor de innovatiebox wordt verhoogd van 5% naar 7%.

Specifiek voor banken en verzekeraars wordt een ‘generieke minimumkapitaal-regel (thin cap rule) ingevoerd. Deze regel beperkt de renteaftrek over vreemd vermogen boven 92% van het commerciële balanstotaal.

Dividendbelasting

De dividendbelasting wordt afgeschaft. Daarnaast wordt een bronbelasting ingevoerd op rente en royalties voor financiële stromen naar landen met zeer lage belastingen, de zogenoemde ‘low tax juridictions’. In verband met het afschaffen van de dividendbelasting zal het voor fiscale beleggingsinstellingen niet meer toegestaan zijn om direct te beleggen in vastgoed.

Box 2: DGA

Het tarief in box 2 - momenteel 25% - wordt verhoogd naar 27,3% in 2020 en 28,5% met ingang van 2021.Dit is het gevolg van de tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting.

Overig

Gebruikelijk loon

Het kabinet wil de gebruikelijk loonregeling evalueren en zo nodig aanpassen.

30%-regeling

De 30%-regeling is een onbelaste vergoeding voor werknemers die in Nederland komen werken. In plaats van een vergoeding voor de wrekelijk gemaakte extra kosten, mag de werkgever - onder voorwaarden - ook 30% van het loon vergoeden. Belangrijke voorwaarde is dat de werknemer een specifieke deskundigheid heeft die niet of nauwelijks te vinden is op de Nederlandse arbeidsmarkt. De looptijd van de 30%-regeling wordt voor een werknemer verkort van acht naar vijf jaar.

Belastingdienst

De uitvoering van het fiscale stelsel moet worden verbeterd. De nieuwe coalitite trekt een half miljard euro uit om de investeringsagenda van de Belastingdienst uit te voeren.

Ontslagrecht/transitievergoeding

De Wet werk en zekerheid heeft er volgens de coalitiepartners voor gezorgd dat ook in situaties waar onstlag redelijkerwijze aan de orde is, onnodig wordt bemoeilijkt (met name bij cumulatie van omstandigheden). Wel kan de rechter een extra vergoeding toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding bovenop de al bestaande transitievergoeding. In samenhang hiermee worden twee maatregelen genomen:

    1. Werknemers krijgen van het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op een transactievergoeding (nu pas na twee jaar na aanvang)
    2. Voor elk jaar in dienst gaat de transactievergoeding een derde maandsalaris bedragen (ook voor contractduren langer dan tien jaar). De overgangsregeling voor 50-plussers blijft.

Daarnaast wordt de mogelijkheid verruimd om scholingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding.

Differentiatie WW-premie

Een vast contract moet aantrekkelijker worden. Het kabinet gaat bekijken hoe premiedifferentiatie in de WW hieraan kan bijdragen.

Verlenging IOW

De Wet Inkomensvoorziening voor oudere werklozen (IOW) wordt verlengd met vier jaar. Deze wet voorkomt dat oudere werknemers die - ondanks inspanningen van werkgevers en werknemers - werkloos of arbeidsongeschikt worden, na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering hun eigen vermogen (of dat van hun partner) moeten ‘opeten’. De leeftijdsgrens van de IOW zal met ingang van 2020 meestijgen met de AOW-leeftijd.

Fintech

De toetreding van bedrijven op het vlak financieel technologische innovatie (Fintech) wordt vereenvoudigd door invoering van ‘een bank en overige vergunning in lichtere vorm’ (waarbij de klanten voldoende beschermd moeten blijven).

Slotopmerkingen

Door de lange duur van de formatie, doet zich nu het probleem voor dat het nieuwe kabinet niet eenvoudig de gewenste maatregelen al in 2018 kan laten ingaan. Dat was en stuk eenvoudiger geweest als de formatie (ruim) voor Prins-jesdag was afgerond. Overigens is de formatie nog niet afgerond. Er moeten nog ministers en staatssecretarissen gezocht en benoemd worden.